Met haar jaarlijkse ‘onderwijsevent’ wil BVA een brug slaan tussen de architectuur praktijk en het architectuur onderwijs. Dit jaar zijn we hiervoor te gast bij de UHasselt.
In dialoog met elkaar, met het publiek en met ervaren vakgenoten gaan de jonge sprekers, na het voorstellen van hun masterproeven, dieper in op urgente vragen rond de toekomst van het beroep en de opleiding van de architect.
'De zorg die we delen'
Yenthe Meeus & Valérie Sette
(promotor: Tine Segers & Maximiliaan Royakkers - UAntwerpen)
Deze masterproef onderzoekt hoe collectieve ruimte kan bijdragen aan een vrouwvriendelijke stad, vertrekkend vanuit een intersectioneel feministisch perspectief. Architectuur wordt daarin benaderd als een praktijk die sociale relaties, zorg en collectieve verantwoordelijkheid ondersteunt. Ons onderzoek kreeg vorm binnen De Kompaan, een buurtkeuken in Borgerhout.
Door niet alleen te observeren maar actief deel te nemen aan de dagelijkse werking ontwikkelden we een prefiguratieve praktijk. Prefiguratie vertrekt vanuit het idee dat maatschappelijke verandering niet wordt uitgesteld tot de toekomst, maar reeds in het heden wordt geoefend.
De masterproef neemt de vorm aan van een tweezijdig boek. De zijde 'een zorgethiek bouwen' richt zich tot de ontwerper en onderzoekt hoe een zorgethische houding nieuwe ontwerpkaders kan opbouwen. De zijde 'kamers van de stad bewonen’ vertrekt vanuit de bewoner en de gemeenschap en belicht de dagelijkse praktijken van de verschillende buurtkeukens die we doorheen het academiejaar hebben bewoond.
'HANDLE WITH CARE. A Guide to Care Through Maintenance'
Kirsten Judith Augstein
(promotor: Dag Boutsen - KU Leuven)
The thesis explores how care, as an architectural practice, can be used as a strategy for users to gain agency over the spaces they inhabit, as well as serving as a community-building mechanism.
The campus of the architecture faculty of KU Leuven, “Meurop,” is used as a case study. The Meurop building was chosen due to its current position in time: just four years away from the move of the architecture faculty to a new building, with Meurop itself undergoing major renovations. Additionally, experimentations such as the nomadic campus at WTC24 and occupations of the university-owned Lefrancq 7 building show the limitations of and frustrations with the current campus.
The main expressions of care explored in this thesis are the acts of maintenance and repair; tasks usually performed by maintenance staff in public or institutional buildings. The question is asked: what if repair and maintenance are more than ways to uphold the status quo, and are performed by the people who use the building every day? Could this change in responsibility and perceived ownership lead to buildings learning more directly from their users and create more flexible institutional environments?
The book How Buildings Learn: What Happens After They‘re Built by Stewart Brand serves as a theoretical basis for the analysis of how the current campus building functions and what possible measures of spatial intervention can be found. The concept of shearing layers guides the analysis, as well as informing possible strategies for interventions by users.
The thesis shows the current phase of uncertainty, between the present occupation by the architecture faculty and the estimated move to the Pacheco44 campus, as a moment of possibility for experimentation, which could also serve as a laboratory for the structure of the new Pacheco44 campus.
'Water.Dichter. Een metabool ontwerp voor een zwembare Roosterbeek'
Jilles van der Linde
(promotor: Liebeth Huybrechts & Nadia Casabella - UHasselt)
Deze masterproef maakt deel uit van een gezamenlijk onderzoek naar meer dan menselijk ontwerpen langs het Kolenspoor in Genk. Wij onderzochten er de grenzen in een gelaagd mijnlandschap, niet als scheidingslijnen maar als overgangszones die we kunnen vormgeven.
Deze masterscriptie onderzoekt de grens tussen lichaam en water, door een kleine waterloop als zwembaar te benaderen. Waterlopen werden in Vlaanderen lang beschouwd als infrastructuur, hygiënisch risico of juridische last, waardoor de directe lichamelijke ervaring van water uit het dagelijks leven verdween. De laatste jaren ontstaat een voorzichtige kentering die buitenzwemmen opnieuw op de politieke agenda heeft gezet. Binnen die context onderzoekt deze scriptie onder welke ruimtelijke, ecologische en lichamelijke voorwaarden een kleine waterloop opnieuw zwembaar kan worden, en hoe een ontwerp deze voorwaarden in één samenhangend systeem kan brengen.
De Roosterbeek in Midden-Limburg dient als case. Het onderzoek combineert een lichamelijke verkenning van de beek, gesprekken met experts uit waterbeheer en ecologie, een literatuurstudie naar zwembeleid en de fenomenologische omgang met water, en ontwerpend onderzoek waarin de bevindingen ruimtelijk worden getoetst. De analyse brengt verschillende obstakels voor zwembaarheid naar voren. De beek is op meerdere plekken ingebuisd, snijdt zich steeds dieper in door versnelde afvoer, en wordt bij regen vervuild door een riooloverstort. Deze problemen zijn niet apart oplosbaar; ze vragen om een aanpak die ecologie, infrastructuur en lichamelijke beleving samenbrengt.
Het ontwerp Water Dichter vertaalt deze inzichten in een familie van ingrepen waarin elk obstakel niet wordt weggewerkt maar omgekeerd. Rioolslib wordt warmte, buizen worden constructies, vervuild water wordt gezuiverd en gevierd. Het ontwerp positioneert zwembaarheid als ontwerpcriterium en zorg, die uit lichamelijk contact ontstaat, als ontwerpvoorwaarde. Daarmee biedt het een manier om vergelijkbare kleine waterlopen in Vlaanderen opnieuw te denken.